Interview Tessa Kieboom


Interview met prof. dr. Tessa Kieboom
"Een wetenschappelijk kader omdat het kan", winnaar Mensa Fonds Award categorie Onderwijs in 2016. Dit interview is eerder gepubliceerd in onze nieuwsbrief.

Prof. dr. Tessa Kieboom, directeur van Exentra (het vroegere Centrum voor Begaafdheidsonderzoek) in Antwerpen is een van de grootste autoriteiten op het gebied van (hoog)begaafdheid in Nederland en België. Zij stelt dat de kern van hoogbegaafdheid niet het hoge IQ is, maar het verruimde bewustzijn. Dit bewustzijn versterkt naarmate het IQ toeneemt en zorgt dat veel hoogbegaafden meer prikkels zien en voelen. Tessa geeft regelmatig lezingen aan docenten en andere betrokkenen om haar kennis over te dragen en hen te inspireren met praktijkcases.

En daar was opeens die prijs uit Nederland...
Ja, wat een eer, zeg... Het was echt totaal onverwacht! Nou ja, uw verdiensten liegen er niet om.

Bent u zelf hoogbegaafd?
<stilte> Eh... geen idee. Waarom ik het niet weet? Omdat dit me niet uitmaakt. Laat mijn toehoorders maar oordelen wat ze aan me hebben. Alleen IQ zegt zo weinig. Het gaat er om wat ik voor anderen kan doen. En niet of ik het zelf ‘ben’.

Waarom dan toch die interesse in het onderwerp?
Eerst studeerde ik Economie, stel je voor. Daarna werd het Didactiek aan de Universiteit van Antwerpen. Zo kwam ik met hoogbegaafdheid in aanraking. Pas echt concreet werd het toen ik stagebegeleider werd en ook les ging geven. Ik had een leerling met hele goede resultaten, maar die zat eigenlijk nooit op te letten. Toen ik haar vroeg of de lesstof haar wel interesseerde zei ze ‘nee’. Dat vond ik fascinerend.


En toen?
Ik wijdde er mijn proefschrift aan! Al snel ontdekte ik dat er in Vlaanderen weinig tot niets te vinden was over het onderwerp. Het was onontgonnen terrein. Dus zocht ik een copromotor die er verstand van had. Dat werd uiteindelijk Prof.dr. Franz Mönks van het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek (CBO) in Nijmegen. Ik zag dat er behalve theorie ook in de praktijk veel te doen was. Dus richtte ik samen met de universiteit Nijmegen in 1998 het CBO in Antwerpen op. Zo ben ik min of meer diezelfde praktijk in geduwd.

Wat ontdekte u daar precies?
Ouders, leraren en leerlingen waren veelal aan het zoeken naar begrip. Hoogbegaafdheid heeft immers veel gezichten: leerlingen zijn lastig in de klas of juist heel stil... Als je probeert door te dringen bij zo’n kind, dan is het moeilijk om effect te sorteren. Het zegt dan ‘kan allemaal zijn, maar ik ben wél alleen...’. Daarom breng ik ze samen met andere kinderen zoals zij zelf: ontwikkelingsgelijken. Een feest der herkenning. Hoera, ik ben niet alleen! Dan beginnen ze vanzelf te vertellen.

Waarom nu die focus op ‘onderpresteerders’?
Vat dat niet verkeerd op. Van kinderen die de diagnose hoogbegaafd krijgen wordt opeens heel veel verwacht. Hun gemeten IQ leidt tot verwarring. Men veronderstelt, op basis van vooroordelen, dat zo’n kind direct als een topper presteert. Als het dan niet aan de verwachtingen voldoet, dan heet dat direct
onderpresteren. Nou, dat wil je op die leeftijd niet horen. Als je goed kan voetballen, dan wordt er gezegd ‘we zullen zien hoe het zich op het veld ontwikkelt’. En zo hoort het. Ook bij hoogbegaafde kinderen.

Uw werk ontstond vanuit het onderwijs, maar u bedient inmiddels ook het bedrijfsleven.
Klopt. Daar wordt eveneens meewarig en met vooroordelen naar hoogbegaafdheid gekeken. En ook daar krijgen mensen een burnout omdat ze hoogbegaafd zijn. Met een casus en daarna persoonlijke gesprekken kan ik goede voorbeelden geven en zaken duiden. Zij die er dan met een open geest naar kijken, vinden binnen de organisatie uiteindelijk toch de juiste mensen.

Waarom schept u, in tegenstelling tot anderen, wel een wetenschappelijk kader?
Heel simpel: omdat het kan. In de afgelopen twintig jaar zijn er ruim zesduizend mensen voorbij gekomen, jong en oud. Allemaal individuen, dus unieke gevallen. Daarom kunnen we onze zaken niet té gestructureerd aanpakken. Maar met deze aantallen zie je op een gegeven moment toch patronen. Dus ga je referentiekaders gebruiken, uiteraard zonder in routine te vervallen. Het blijven mensen.

Ga je dan niet steeds meer werken aan preventie?
Jazeker, dat doen we ook. We zien immers niet alleen patronen, maar net zo goed de gevolgen. En wat eveneens helpt is dat hoogbegaafdheid steeds beter geaccepteerd wordt. Scholen wachten niet langer af maar handelen proactief, ouders staan er steeds meer voor open. Exentra geeft steeds meer lezingen en
verzorgt tegenwoordig gespecialiseerde opleidingen hoe mensen in het onderwijs om kunnen gaan met specifieke leerlingen.

Het gaat goed dus. Heeft u nog een tip voor hen die een Mensa Fonds Award ambiëren?
Als je dat ambieert, zorg dan dat je je honderd procent in de ander kunt inleven. Want alle aspecten van het hoogbegaafd zijn hebben invloed. Als dat lukt, dan zie je gegarandeerd wat de échte parels zijn.